Werkwoorden

Can en can't: zeggen wat je in het Engels wel en niet kunt

Niveau A1 Werkwoorden
Kerngedachte

In het Engels gebruik je 'can' om aan te geven dat je iets kunt, en 'can't' voor wat je niet kunt. Anders dan veel Nederlanders verwachten, komt er geen 'to' achter: het is "I can drive" en niet "I can to drive". 'Can' blijft bovendien voor elke persoon hetzelfde, dus ook bij she of he zonder -s: "She can't come today." Voor een vraag draai je zelf om en gebruik je geen 'do': "Can you help me?" In het Nederlands zeg je 'kan/kunt' met de hele werkwoordsvorm achteraan, maar het Engelse 'can' werkt net iets strakker: alleen de basisvorm van het werkwoord erachter.

Voorbeelden

  • I can drive. the speaker is able to drive
  • She can't come today. she is not able to come today
  • Can you help me? asking for help

De volledige les

Alles uit de video, in tekst.

  1. can / can't

    zeggen wat je kunt

    Drie kleine fouten kunnen een van de handigste Engelse werkwoorden verpesten — dus laten we <t>can</t> goed onder de knie krijgen.

  2. can = iets kunnen doen

    <t>Can</t> gebruik je om over kunnen te praten: wat je kunt. Het volgt maar drie eenvoudige regels, en dat is de hele les.

  3. can + basisvorm (geen 'to')

    Regel één: na <t>can</t> komt altijd de basisvorm van het werkwoord — de kale vorm — zonder <t>to</t> ertussen.

  4. can

    I can
    you can
    he / she / it can
    we can
    they can

    Regel twee: het verandert nooit. <t>I</t>, <t>you</t>, <t>he</t>, <t>she</t>, <t>we</t>, <t>they</t>: allemaal gewoon <t>can</t>. Nooit een extra <t>-s</t> bij <t>he</t> of <t>she</t>.

  5. I can swim.

    basisvorm, geen 'to'

    Laten we het zien. Vertel over iets wat je kunt en zet er gewoon de kale vorm achter: I can swim.

  6. She can drive.

    geen -s bij can

    Let op: het is <t>she can</t>, niet <t>she cans</t>. <t>Can</t> krijgt nooit een <t>-s</t>: She can drive.

  7. We can speak two languages.

    dezelfde vorm voor iedereen

    Hetzelfde woord geldt ook voor groepen: We can speak two languages.

  8. She can't come today.

    can + not = can't

    Regel drie gaat over ontkenningen en vragen, en daar redt <t>can</t> zich helemaal zelf. Voor niet kunnen voeg je <t>n't</t> toe: She can't come today.

  9. Can you help me?

    omdraaien — geen 'do'

    Voor een vraag grijp je niet naar <t>do</t>. Zet <t>can</t> gewoon vooraan: Can you help me?

  10. Yes, I can.

    geen hoofdwerkwoord nodig

    En korte antwoorden zijn makkelijk: je gebruikt <t>can</t> gewoon op zichzelf: Yes, I can.

  11. I can to swim. 'to' te veel
    I can swim. kale vorm

    Geen 'to' na een modaal als 'can'.

    Nu de twee valkuilen. Eén: zet nooit <t>to</t> na <t>can</t>. Het is niet <t>I can to swim</t> — een modaal werkwoord als <t>can</t> neemt de kale vorm.

  12. Do you can swim? 'do' + 'can'
    Can you swim? gewoon omdraaien

    'Can' vormt zelf vragen en ontkenningen.

    Twee: gebruik nooit <t>do</t> bij <t>can</t>. Het is niet <t>Do you can swim?</t> — <t>can</t> stelt de vraag al helemaal zelf.

  13. Onthoud

    • can + basisvorm — geen 'to'
    • hetzelfde voor elke persoon — geen -s
    • vragen & ontkenningen — geen 'do'

    Dus: <t>can</t> plus de kale vorm, hetzelfde voor iedereen, en het regelt zelf zijn vragen en ontkenningen.