Vragen en ontkenning

Ontkenningen en vragen met 'to be' in het Engels

Niveau A1 Vragen en ontkenning
Kerngedachte

In het Engels maak je met het werkwoord 'to be' (am/is/are) een ontkenning door simpelweg 'not' achter het werkwoord te zetten: 'I'm not ready.' of 'They aren't here.' Een vraag stel je door het werkwoord vóór het onderwerp te plaatsen: 'Is she at home?' Je hebt hiervoor géén hulpwerkwoord 'do' nodig, en dat is precies waar Nederlandstaligen vaak de mist in gaan. In het Nederlands draai je ook om ('Ben jij klaar?'), dus die volgorde voelt vertrouwd, maar plak in het Engels nooit 'do' ervoor en houd in een vraag niet de gewone zinsvolgorde aan.

Voorbeelden

  • I'm not ready. the speaker is not ready
  • Is she at home? asking whether she is at home
  • They aren't here. they are not here

De volledige les

Alles uit de video, in tekst.

  1. Are you ready?

    ontkenning & vragen met “to be”

    <t>Do you are ready?</t> Dat klinkt fout — en daar is één simpele reden voor.

  2. “to be” maakt ontkenning en vraag zelf — zonder “do”.

    Het werkwoord <t>to be</t> maakt ontkenningen en vragen helemaal zelf. Geen <t>do</t>, geen hulpwoord — alleen het werkwoord.

  3. Ontkenning: “not” komt achter het werkwoord.

    We beginnen met de ontkenning. Om iets te ontkennen, zet je gewoon <t>not</t> meteen achter het werkwoord <t>be</t>.

  4. be — ontkennend

    I am not · ’m not
    you / we / they are not · aren’t
    he / she / it is not · isn’t

    Dus: <t>I am not</t>, <t>you are not</t>, <t>he is not</t>. En in spreektaal korten we ze in — <t>I'm not</t>, <t>you aren't</t>, <t>she isn't</t>.

  5. I'm not ready.

    “not” volgt op “am”

    Let op waar <t>not</t> staat — meteen achter het werkwoord. I'm not ready.

  6. They aren't here.

    samentrekking van “are not”

    <t>Are not</t> wordt meestal <t>aren't</t> — zelfde betekenis, alleen korter. They aren't here.

  7. She isn't tired.

    samentrekking van “is not”

    En <t>is not</t> wordt <t>isn't</t>. She isn't tired.

  8. Vraag: het werkwoord komt vóór het onderwerp.

    Nu de vragen. Voor een vraag draai je de volgorde om — zet het werkwoord vóór het onderwerp.

  9. Gewoon omdraaien

    Stelling
    • You are ready.
    • She is home.
    Vraag
    • Are you ready?
    • Is she home?

    <t>You are ready</t> wordt <t>Are you ready?</t> <t>She is home</t> wordt <t>Is she home?</t> Onderwerp en werkwoord wisselen gewoon van plaats.

  10. Are you ready?

    werkwoord vóór onderwerp

    Wissel gewoon de twee om — Are you ready?

  11. Is she at home?

    werkwoord vóór onderwerp

    Het werkwoord komt eerst, dan het onderwerp. Is she at home?

  12. Do you are ready? “do” te veel
    Are you ready? alleen omdraaien

    Bij “to be” nooit “do” erbij — het werkwoord verschuift zelf.

    De grote valkuil: leen geen <t>do</t> van andere werkwoorden. <t>Do you are ready?</t> is fout — bij <t>be</t> draai je alleen om.

  13. You are ready? stellingvolgorde
    Are you ready? werkwoord eerst

    Een vraag draait om — niet alleen een vraagteken erbij.

    En op schrift: stellingvolgorde maakt geen echte vraag. <t>You are ready?</t> moet <t>Are you ready?</t> zijn — werkwoord eerst.

  14. Korte antwoorden met “be”

    Ja
    • Yes, I am.
    • Yes, she is.
    Nee
    • No, I'm not.
    • No, she isn't.

    Nog handig: korte antwoorden gebruiken <t>be</t> ook. <t>Yes, I am.</t> <t>No, she isn't.</t> Je herhaalt het werkwoord — nooit <t>do</t>.

  15. Onthoud

    • Ontkenning → “not” achter het werkwoord
    • Vraag → werkwoord vóór het onderwerp
    • Nooit “do” erbij

    Onthoud dus: ontkenning zet <t>not</t> achter <t>be</t>; vraag zet <t>be</t> vóór het onderwerp — en <t>do</t> heb je nooit nodig.