Question words: ko, šta, gde, kada, zašto, kako
Open questions start with a question word: ko (who), šta (what), gde (where), kada/kad (when), zašto (why), kako (how), koliko (how much/many). The word goes at the front and the rest of the sentence follows.
Voorbeelden
- Ko je to? Who is that?
- Šta radiš? What are you doing?
- Gde živiš? Where do you live?
De volledige les
Alles uit de video, in tekst.
-
Wil je vragen wie, wat, waar of waarom, maar weet je niet waar dat woord in de zin staat? Goed nieuws: het staat altijd op dezelfde plek.
-
Er zijn twee soorten vragen. Ja/nee-vragen, beantwoord met ja of nee. En open vragen, die om concrete informatie vragen, en die beginnen met een vraagwoord.
-
Dit zijn de zes belangrijkste. Ko voor een persoon, šta voor een ding, gde voor een plaats, kada voor tijd, zašto voor reden en kako voor manier. Leer deze zes en je kunt bijna alles vragen.
-
De regel is simpel: het vraagwoord komt vooraan, en de rest van de zin volgt gewoon. Je hoeft verder niets te veranderen.
-
Laten we beginnen met ko, als je naar een persoon vraagt. Ko je to?
-
Met šta vraag je naar een ding of een handeling. Heel gewoon in alledaagse gesprekken. Šta radiš?
-
Gde vraagt naar een plaats. Het woord komt vooraan, het werkwoord meteen erna. Gde živiš?
-
Kada vraagt naar tijd. In spraak hoor je vaak ook de korte vorm, kad. Kada dolaziš?
-
Zašto vraagt naar de reden. Het antwoord begint meestal met zato što. Zašto plačeš?
-
En kako, als je vraagt op welke manier iets gaat, of hoe het met iemand is. Kako si?
-
Er is nog een heel handig woord: koliko. Daarmee vraag je naar hoeveelheid of aantal, hoeveel er van iets is. Koliko košta?
-
Dit is de meestgemaakte beginnersfout: ko en šta door elkaar halen. Ko is alleen voor een persoon, wie. Šta is voor een ding, wat. Zeg je ko radiš, dan slaat het nergens op; het moet šta radiš zijn.
-
Een notitie voor later: ko en šta veranderen per naamval, koga, čega. Maar in het begin gebruik je gewoon de basisvormen, ko en šta, en dan ben je prima te begrijpen.
-
Even samenvatten. Zes vraagwoorden: ko, šta, gde, kada, zašto, kako, plus koliko. Ze gaan allemaal vooraan in de zin, en de rest blijft gelijk. Meer heb je niet nodig voor open vragen.