Servisch: imati en nemam — hebben, niet hebben en de juiste naamval
Imati („hebben“) is een van de werkwoorden die je in het Servisch het vaakst nodig hebt. Het object erna staat in de accusatief, dus sestra wordt sestru: Imam sestru. Let op de ontkenning: die is niet ne imam, maar smelt samen tot één woord — nemam. En na nemam verschuift het object meestal naar de genitief. Daarom zeg je Nemam novca en niet „nemam novac“. Een vraag stel je met het partikel li: Imaš li auto? In deze les oefenen we de hele vervoeging (imam, imaš, ima…), het verschil tussen accusatief en genitief, en handige vaste uitdrukkingen zoals imati vremena en imati pravo. Zo voorkom je meteen de twee klassieke beginnersfouten.
Voorbeelden
- Imam sestru. I have a sister.
- Nemam novca. I have no money.
- Imaš li auto? Do you have a car?
De volledige les
Alles uit de video, in tekst.
-
„Imam sestru“ — ik heb een zus. Makkelijk, toch? Maar de ontkenning is niet „ne imam“, maar één samengesmolten woord: „nemam“. En dan verschuift het object vaak naar een andere naamval. Laten we dat helemaal uitleggen.
-
„Imati“ betekent „hebben“ — je gebruikt het voortdurend: voor dingen, familie, tijd en verplichtingen. De belangrijkste regel: het object na „imati“ gaat in de accusatief, de naamval die antwoordt op „wie? wat?“.
-
Hier is de tegenwoordige tijd van „imati“. „Ja imam, ti imaš, on ima, mi imamo, vi imate, oni imaju.“ De nadruk ligt op de vorm „imam“ — dat is „ik heb“, de vorm die je het vaakst hoort.
-
Eerste voorbeeld. „Sestra“ is vrouwelijk en verandert in de accusatief van uitgang: „sestra“ wordt „sestru“. Daarom zeggen we: Imam sestru. Zie je hoe de uitgang A in U veranderde — dat is de accusatief in actie.
-
Nu iets dat op een uitzondering lijkt, maar dat niet is. „Auto“ is mannelijk en levenloos, en zulke woorden blijven in de accusatief gelijk — er verandert niets. Imam auto. „Auto“ is in de nominatief en de accusatief gelijk — dus klinkt het makkelijk.
-
Nu de ontkenning. Dit is cruciaal: de ontkenning van „imati“ is geen twee woorden. We zeggen niet „ne imam“. „Ne“ en „imam“ smelten samen tot één woord — „nemam“. Het is onregelmatig, maar zo zegt men het altijd.
-
Hier is de meest gemaakte beginnersfout. „Ne imam“ bestaat niet in het Servisch. Altijd „nemam“. Hetzelfde geldt voor alle personen: nemaš, nema, nemamo, nemate, nemaju.
-
En het tweede deel van de valkuil. Na het bevestigende „imam“ staat het object in de accusatief. Maar na het ontkennende „nemam“ verschuift het object vaak naar de genitief — de naamval die antwoordt op „van wie? van wat?“.
-
Laten we dat in een voorbeeld bekijken. „Novac“ gaat na „nemam“ in de genitief en wordt „novca“. Daarom is het juist: Nemam novca. Niet „nemam novac“, maar „nemam novca“ — genitief na de ontkenning.
-
Dezelfde valkuil met het woord „vreme“. Na „nemam“ zeggen we niet „nemam vreme“ — correct is „nemam vremena“, met de genitief.
-
Hoe stel je een vraag? Je voegt het partikel „li“ toe na het werkwoord. „Imaš li auto?“ betekent „Heb je een auto?“. Eenvoudig en heel gebruikelijk in spreektaal. Imaš li auto?
-
Tot slot vormt „imati“ veel alledaagse uitdrukkingen. „Imati vremena“ — vrije tijd hebben. „Imati pravo“ — gelijk hebben. Het loont de moeite ze als vaste uitdrukkingen te onthouden.
-
Even samenvatten. „Imati“ vraagt om de accusatief: imam sestru. De ontkenning is altijd het samengesmolten woord „nemam“, nooit „ne imam“. En na „nemam“ gaat het object in de genitief: nemam novca, nemam vremena.